‘Hakselmais rijpt nu razendsnel’
‘De hakselmais rijpt nu razendsnel.’ Dat zegt Mark de Beer, ruwvoeradviseur bij Groeikracht. Als redenen wijst hij op de hoge temperaturen, de droge omstandigheden en de lange dagen in augustus.
‘Daarnaast is de eerste mais dit jaar al rond half april gezaaid’, vervolgt De Beer. ‘Ultravroege mais bereikt daardoor rond half augustus de benodigde 120 groeidagen om oogstrijp te zijn.’
Volgens De Beer staat dit jaar op veel percelen ultravroege mais. Boeren kunnen zo voldoen aan hun rustgewasverplichting na de maisoogst. De afrijping van de meeste percelen vindt daardoor plaats tijdens een periode met lange dagen en veel licht. ‘En dan kan het snel gaan’, weet De Beer.
Afrijping goed opvolgen
Voor boeren is het dus zaak om de afrijping goed op te volgen. ‘Ga elke week het maisperceel in om te zien hoe snel de mais afrijpt’, zegt De Beer. En hij bedoelt ook echt ín het perceel, niet op de kopakker een kolf plukken. ‘Door bodemverdichting, bemesting en meer licht aan de buitenste rijen rijpt de mais op de kopakker vaak anders. Dat geeft geen betrouwbaar beeld van het hele perceel. Kijk vooral hoe de kolven het doen in de lengterijen.’
Bij twijfel hakselen
‘Er is veel variatie tussen de maispercelen. Van vitale planten met nette kolven tot kolfloze mais, die meer op een cactus lijkt. Dat maakt het lastig om het juiste oogstmoment te bepalen’, zegt De Beer. ‘Desnoods haksel en kuil je in twee keer.’
De adviseur raadt aan om tijdig een afspraak te maken met de loonwerker. ‘Baseer je op tachtig procent rijpe kolven, niet op de laatste twintig procent. Twijfel je of de kolven nog net niet rijp genoeg zijn, haksel dan toch’, zegt hij. ‘Het is beter onder droge omstandigheden iets te vroeg te hakselen dan te laat.’
Beter te vroeg dan te laat hakselen
Wie te laat hakselt, krijgt een uitgedroogde en verhoute plant. De Beer: ‘Voor koeien is dat alsof ze een droog beschuitje moeten eten.’
‘Het natte jaar 2024 leerde ons dat een iets nattere kuil niet altijd slecht is. De kuilen waren toen nog fris, smakelijk en goed verteerbaar, waardoor de koeien er goed van aten en ook goed produceerden.’ De Beer raadt daarom aan te streven naar 36 tot 38 procent droge stof. Dan is ook de zetmeelvorming in de kolf optimaal. ‘Het drogestofgehalte van de mais is vaak hoger dan je op het veld inschat, dus wees er op tijd bij’, aldus de adviseur.
Vergeleken met voorgaande jaren verwacht hij geen bovengemiddelde maisoogst. ‘Er staat veel mais, maar vooral erg droge mais. Dat kan ten koste gaan van de tonnenopbrengst en de zetmeelopbrengst’, geeft De Beer aan.
Wie beregent, moet daar volgens hem juist nu niet mee stoppen. ‘Mais heeft tijdens de afrijpingsfase veel vocht nodig. In de laatste zes weken heeft de plant ongeveer 60 millimeter water nodig voor een goede zetmeelvorming.’