Deens onderzoek vindt geen verband tussen Bovaer en koegezondheid
Er kan geen oorzakelijk verband worden aangetoond tussen voeren van het methaanadditief Bovaer en een dalende melkproductie, gezondheidsproblemen en sterfte bij Deense koeien in het najaar van 2025.
Dit concluderen onderzoekers van de universiteit van het Deense Aarhus uit een analyse van de gegevens van 73 melkveebedrijven waar de koeien in 2025 Bovaer kregen.
Twee derde rapporteert problemen
Ongeveer twee derde van de Deense veehouders maakte in oktober 2025 melding van negatieve ervaringen. Bedrijven die na acute problemen zijn gestopt met het voeren van Bovaer zijn in dit onderzoek niet meegenomen. In de analyse van de bedrijfsgegevens van de onderzochte bedrijven konden de onderzoekers geen negatieve effecten aantonen op de melkproductie, het celgetal in de melk, behandelingen voor mastitis, spijsverterings- en stofwisselingsstoornissen en sterfte van koeien. De dalende melkproductie zou bijvoorbeeld evengoed het gevolg kunnen zijn geweest van seizoenseffecten. Overigens is deze conclusie gebaseerd op een analyse van achteraf verzamelde data en niet op gecontroleerd onderzoek. Ook werden alleen gegevens meegenomen van koeien die een behandeling hadden ondergaan. De onderzoekers kunnen effecten van Bovaer op basis van deze analyse ook niet uitsluiten. Een wetenschappelijk verantwoord uitgevoerde proef zou meer duidelijkheid moeten geven.
Melksamenstelling verandert
In het onderzoek werd wel duidelijk aangetoond dat voeren van Bovaer effect heeft op de melksamenstelling. Zo stegen het vet-, eiwit- en ureumgehalte in de tankmelk na toevoegen van Bovaer aan het rantsoen. In melkcontrolemonsters werd bovendien een sterke daling gevonden van de concentratie van het ketonlichaam 3-hydroxybutyraat. Een duidelijke verklaring voor de verandering in melksamenstelling hebben de onderzoekers nog niet.
Voeropname daalt
In eerder onderzoek werd al gevonden dat voeren van Bovaer een negatief effect kan hebben op de voeropname. Ook in dit onderzoek rapporteerden meerdere deelnemers een sterke daling van de voeropname. Een verklaring hiervoor hebben de onderzoekers niet, maar het is volgens hen wel wenselijk om de oorzaak verder te onderzoeken.