Ruwvoer

Eiwitrijk gras zonder derogatie vraagt om slim bemestingsplan

Voor zoveel mogelijk eiwit in gras tipt Mark De Beer ruwvoeradviseur bij Groeikracht om zo vroeg mogelijk en gefractioneerd te bemesten
Voor zoveel mogelijk eiwit in gras tipt Mark De Beer ruwvoeradviseur bij Groeikracht om zo vroeg mogelijk en gefractioneerd te bemesten

Het grasseizoen is weer van start en dit jaar zonder derogatie. Dat kan volgens Mark de Beer, ruwvoeradviseur bij Groeikracht, effect hebben op de eiwitkwaliteit van gras. ‘Wie veel eiwit van eigen land wil, heeft drijfmest nodig. Daarvoor is een slim bemestingsplan nodig.’ 

Bij veel teeltplannen zal er hoogstwaarschijnlijk drijfmest verschoven worden van maisland naar grasland, zegt De Beer. ‘Dat betekent bijvoorbeeld tien kuub minder drijfmest per hectare op het maisland, zodat die tien kuub extra kan worden ingezet op grasland.’ 

Mais heeft volgens De Beer een hogere drijfmestefficiëntie dan gras. ‘Voor de productie van 1 ton droge stof mais heb je circa 2,5 ton rundveedrijfmest nodig’, legt hij uit. ‘Voor 1 ton gras is dat 6 tot 7 ton drijfmest. Dat komt doordat gras eiwitrijker is en in verhouding meer fosfor en kalium nodig heeft.’

Gras heeft meer tonnen drijfmest nodig voor de productie van 1 ton droge stof dan mais, omdat gras meer eiwit bevat (bron: Groeikracht)

Eventueel compost bij mais

Minder drijfmest geven aan mais kan wel, mits de plant nog over voldoende nutriënten als kalium en fosfor beschikt. ‘Bij mais is er bij de start sowieso altijd rijenbemesting nodig’, zegt De Beer. ‘De bemesting daarna passend maken, blijft puzzelen.’ 

Minder drijfmest betekent niet alleen een lagere aanvoer van nutriënten, maar ook een lager gehalte aan organische stof. ‘Wie niet oplet, vreet de bodem leeg’, waarschuwt hij. ‘Als mogelijke oplossing kan een veehouder naar groencompost kijken, maar dat geldt vooral als basisbemesting.’

Temperatuursom bereikt in het zuiden

Voor een zo hoog mogelijke eiwitopbrengst in gras heeft de adviseur nog enkele tips. Een daarvan is zo vroeg mogelijk bemesten. ‘In het zuiden van het land heeft de temperatuursom, het startsein om kunstmest te geven, inmiddels de 180 graden bereikt’, zegt De Beer. ‘Dat betekent dat het nu het moment is om kunstmest te geven.’ 

De Beer vindt het jammer dat het mestseizoen in Nederland, in tegenstelling tot Vlaanderen, niet een week eerder mocht starten. ‘Vroeg bemesten is belangrijk om het bodemleven aan te jagen’, vervolgt hij. ‘Je wint zo aan eiwitopbrengst, zeker omdat je dan ook vroeg kunt maaien.’

Drie keer maaien voor 21 juni

Idealiter gaan de eerste maaiers rond half tot eind april het land op. ‘Voor een zo hoog mogelijke eiwitopbrengst maai je bij voorkeur drie keer vóór de langste dag, 21 juni’, zegt De Beer. ‘Wie pas midden mei begint te maaien, haalt dat niet meer.’ 

Het beste wordt er vijf weken gewacht tussen bemesten en maaien. ‘Die vijf weken heb je minimaal nodig om de mest te laten werken in het voorjaar’, zegt De Beer. ‘Maar liever benutten we meer tijd. Dus half februari tot half april.’ Uit proefveldonderzoek blijkt zelfs een verschil van 20 tot 30 procent meer eiwitopbrengst bij veehouders die half februari starten met mest uitrijden, ten opzichte van veehouders die eind maart of begin april bemesten. 

Het moment van de eerste mestgift bepaalt de hoeveelheid eiwitopbrengst in de eerste snede (bron: Groeikracht)

Gefractioneerde gift is nooit mis

Ook gefractioneerd bemesten raadt De Beer sterk aan. ‘Het is nu eigenlijk het moment om twee derde van je totale stikstofgift te geven en eind maart of begin april de resterende een derde’, zegt hij. ‘Die tweede kunstmestgift daagt de plant uit om langer in het bladstadium te blijven, wat de eiwitkwaliteit ten goede komt. Een gefractioneerde gift stelt zelden teleur en is vrijwel altijd efficiënter.’

Eigen mest bemonsteren

Ook tipt de adviseur om de eigen mest te bemonsteren. ‘Vaak analyseren we de gehalten van de te af te voeren mest, maar die mest is niet meer op het bedrijf’, zegt De Beer. ‘Tussen mestputten en mestsilo’s kunnen grote verschillen zitten en met de lage gebruiksnormen zullen we zorgvuldig moeten zijn om ook de fosfaat- en kalidekking op orde te houden. Als je exact weet wat in je kelder zit, weet je ook welke basisbemesting je geeft en kun je preciezer bijbemesten.’